Bronsgroen eikenhout: terugblik op de 6 marathons, dag 5

Van 1 tot en met 6 april liep ik in 6 marathons door Limburg. Een terugblik op elke dag 1 marathon.

Dag 5: Urmond – Maastricht. 3 katten maken me wakker. De klok kruipt richting de negen, en ik geniet nog na van de 50 kilometer met mijn vader. Dan maar iets later op weg, geeft niets. Lily – één van de katten – geeft me af en toe kopjes. En gaat daarna weer haar eigen weg. Ik hou van het eigenwijze van katten. Eenmaal buiten word ik voorzichtig door de zon begroet. Met een berg energie ga ik op zoek naar de eerste heuvels. De bagage van 4 mooie marathons geven me de eerste kilometers vleugels. Ik ben in een marathonroes. Een blik op de maas bij Elsloo leert me dat natuurschoon in Limburg geen grenzen kent.

Na een kilometer of 8 klauter ik via een boomstam over een beekje naar het bos van Elsloo. Een vrouw komt me rennend tegemoet. Ik zie aan alles dat ze het moeilijk heeft. Ik complimenteer haar doorzettingsvermogen. Ze glimlacht en vertelt dat het moeizaam gaat. Maar dat ze het wel doet. En dat het haar helpt. Stoïcijns en met zichtbare moeite sjokt ze onverdroten door. Met een gevoel van bewondering hobbel ik het bos in. Omringd door bruggetjes, beekjes en bomen zie ik een vrouw op een bankje. Ze zit en geniet. Verder niets. Met een rustige groet ga ik naast haar zitten. Ik vertel haar dat ik het hier mooi vind. Zij zegt dat ze hier graag zit en de natuur in haar opneemt. Ze spreekt in geuren en kleuren over het bos en de natuur. Dat het haar rust geeft. En een gevoel van thuiskomen. Ik knik instemmend, en even blijven we stil om de vogels te horen. Ik geef aan dat ik het bos verder ga verkennen. We wensen elkaar rust en plezier toe.

De kilometers vliegen voorbij. Bij Geulhem vul ik mijn waterzak bij. Drinken, drinken, drinken, is mij vaak bijgebracht. Na een slok zwarte toverdrank ren ik vol goede moed de geulhemmerberg op. ‘Die gast blijft maar gaan’, roept een handjevol terrasgangers. Het zit ergens tussen bewondering en totaal onbegrip in. Op mijn pad fietst een oude man met lange baard. Voorovergebogen op zijn stadsfietsje harkt ie naar boven. Gemakkelijk gaat het niet. Bijna snot-voor-de-ogen-stijl. Ik besluit naast ‘m te gaan lopen en spreek mijn bewondering uit voor zijn wilskracht. ‘Jij doet het ook niet verkeerd’, lacht hij. We geraken in een ontspannen gesprek, en hij vertelt over zijn liefde voor het fietsen. Ik begin over Rominger, Zülle, Chiapucci. Oude wielerhelden. Vroeger wandelde hij veel, maar dat gaat nu niet meer. ‘Dan maar fietsend de mooie plekjes opzoeken’, glimlacht hij. ‘Al doet mijn rug niet zo goed meer mee’. Ik voel met ‘m mee en hij vraagt me wat ik hier doe. Ik vertel over mijn avontuur door Limburg en mijn toekomstige reis van geluk naar Palermo. Ik zie zijn ogen glinsteren. Hij zou zo graag nog eens naar Italië willen. Die liefde delen we. Dan vraagt hij of ik een kaartje stuur vanuit Palermo. ‘Ik ben soms zo eenzaam’, verzucht hij. ‘Dus daar zou ik erg blij van worden.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen: dit is waar het om gaat. Ik noteer zijn adres en beloof hem een kaartje te sturen. Hij vervolgt zijn weg naar Schin op Geul. Verbouwereerd sta ik even stil. Kippenvel over mijn hele lijf. Met een glimlach van oor tot oor vervolg ik mijn tocht.

In Maastricht wordt het al langzaam donker. Laat vertrokken, en veel stilgestaan. Ik besluit de Sint Pietersberg los te laten, en de kortste weg naar mijn verblijfplaats te nemen. Ik loop een klein ererondje door de stad om de marathonafstand te voltooien. Na achten druk ik op de deurbel. Hartelijk word ik ontvangen. Ik neem direct het aanbod aan om in een douche te springen. Schijnbaar stink ik nogal. Intussen is er een maal voor mij geregeld en nemen we de dag door. Ik voel me meteen thuis. Met afdwalende gedachten naar de Geulhemmerberg plof ik neer op mijn luchtbed.